Kinderen en pijn

Terug naar de homepage
Terug naar het info overzicht


Kleine pijntjes,grote pijn


Of je nu een bejaarde vrouw, een man van middelbare leeftijd of een peuter bent: pijn hebben is van alle leeftijden. De ene leeftijdscategorie krijgt er meer mee te maken dan de andere en iedere groep kent zijn specifieke kwaaltjes. Een baby maakt de buitenwereld op een andere manier duidelijk dat hij pijn heeft dan een hoogbejaarde. Angst voor pijn is dan weer universeel. Maar een kind dat hysterisch krijst voor een prik, krijgt wel meer krediet van de dokter dan een volwassen man. Kinderen met pijn is een gevoelig thema! Hoe weet je dat een baby pijn heeft? Hoeveel pijn heeft hij en mag zo'n kind een pijnstiller? Vertel je aan een kleuter vooraf dat een beenmergpunctie een pijnlijke zaak is?
Professor Dr Geert Crombez (Universiteit Gent, departement klinische psychologie) doet al jaren onderzoek rond de psychologische aspecten van pijn, ook bij kinderen. Momenteel lopen er twee studies in samenwerking met de afdeling kinderpsychologie (Universitair ziekenhuis Gent): een bij kankerpatiëntjes en een bij diabetespatiëntjes.
Er wordt nagegaan op welke manier kind en ouders pijn ervaren, hoe zij ermee omgaan, hoe zij erop reageren of erover praten. De rol van ouders is hierin heel belangrijk en kan bepalend zijn voor de manier waarop het kind pijn beleeft. Het gebeurt wel eens dat een spuitje krijgen een waar drama betekent. Meeleven met je kind is prima maar als ouder verzwelgen in het medelijden helpt je kind niet! Voor sommige kinderen en ouders ligt het hele denken over pijn ontzettend gevoelig. Onderzoek hierrond kan helpen om kind en ouders zo goed mogelijk te begeleiden.

Nééééén, niet weer een prikje!

"Kinderen met diabetes vormen een kwetsbare groep wat pijn betreft. Niet de ziekte zelf veroorzaakt de pijn maar wel de behandeling zorgt voor een dagelijkse confrontatie met pijn. Telkens opnieuw moet er in de vingertjes worden geprikt om via een bloeddruppel te weten te komen hoeveel insuline er moet worden ingespoten. Vervolgens is er drie tot vier keer per dag het insulinespuitje. In de arm, het been, het buikje. Aan een iets ouder kind kan je de noodzaak van dit alles duidelijk maken, al blijft de pijn dezelfde natuurlijk. Maar een uk van twee heeft geen boodschap aan je uitleg. Het hele prik- en spuitgebeuren, meerdere keren per dag, betekent een chronische stressfactor voor het kind. En niet minder voor de ouders.
Niet zelden resulteert dit in een telkens terugkerende hysterische scène. Angst voor de pijn die er weer aankomt, weglopen, onder tafel kruipen, krijsconcerten. Iedereen de wanhoop nabij in de dagelijkse insulinestrijd.
Bij een kind hoeft iets niet eens ècht pijn te doen. Sommige onderzoeken doen helemaal geen pijn maar de kleine krijst zich de longen uit het lijf. Angst en pijn vloeien in mekaar over. Zo ook lijkt voor een kind een insulinespuitje in de buik véél pijnlijker dan in arm of been. Toch bevat de buik meer vetweefsel waardoor de spuit technisch gezien stukken minder pijnlijk is.
Gelukkig wordt er nu bij zeer jonge kindjes een insulinepomp geplaatst. Via een katheter krijgt het kind de nodige dosis insuline. Het aantal prikjes wordt hierdoor gereduceerd tot één keer op drie dagen, tegenover twaalf prikjes bij de gewone methode".

Wennen doet pijn nooit!

"Wanneer het dagelijks terugkerend ritueel van vingerprik en insulinespuitje in het slop dreigt te geraken, komen ouders soms ten einde raad bij ons terecht. Bedoeling is dat wij er samen iets aan doen. Eerst kijken waar het fout loopt en dan proberen we bij te sturen. Ermee stoppen kunnen wij jammer genoeg niet. Hierin schuilt precies het drama. Diabetes heb je niet voor een poosje maar voor de rest van je leven. En reken maar dat pijn nooit went! Met ouder worden kunnen de kinderen leren zichzelf in de vinger te prikken en insuline in te spuiten. Maar doorheen de jaren worden de vingertoppen zodanig gevoelig dat jongeren het vingerprikken wel eens durven over te slaan. Hoewel nauwkeurigheid absoluut geboden is. Onderzoek wijst uit dat met ouder worden het besef van de levensnoodzakelijkheid van insuline toeneemt. Maar het is een misvatting te denken dat de dagelijkse confrontatie met pijn tot gewenning zou leiden. Een bijkomende frustratie is dat, hoe flink een kind ook zijn best doet om de prikken en de spuitjes stoïcijns te verdragen, er nooit een einde komt aan zijn lijden!
Het helpt natuurlijk al een stuk wanneer 'het onvermijdelijke' op een wat aangenamere manier kan verlopen. De pijn blijft maar een kind dat het gevoel heeft controle te hebben over de pijn, zal er al heel anders mee omgaan. Wij geven de ouders hiertoe een aantal tips mee. Tijdig aankondigen dat de spuit eraan komt is belangrijk. 'Als je spelletje gedaan is, is het tijd voor het spuitje'. Daarnaast kan het geven van inspraak aan het kind ook helpen. 'Waar geven wij vandaag het spuitje'? Een andere manier om controle te geven, is tellen. Het kind telt tot drie en dan volgt de prik. Slimmeriken proberen het in het begin met: één, twee, tweeënhalf … Moet kunnen voor een poosje! Een klassieke maar goedwerkende truc bij jonge kinderen, is de pijn wegblazen. En bij heel angstige, gespannen kinderen wil de truc van de 'spaghettiarm' wel eens werken. Kwestie van de spieren te ontspannen.
Wat bij kinderen in alle omstandigheden geldt, is de eerlijkheid van volwassenen wanneer het over ziekte en pijn gaat. Zeggen dat je naar de bibliotheek gaat en in de plaats daarvan naar de dokter rijden voor een bloedafname kan ècht niet! Net zo oneerlijk is een kind geruststellen dat iets absoluut geen pijn zal doen, terwijl jij pertinent weet dat het wèl zo is. Je schendt het vertrouwen van het kind en de kans dat een volgend doktersbezoek met een scène gepaard gaat is niet denkbeeldig"!

Alsof mama zelf het spuitje krijgt!

"Als ouder je kleintje zien lijden is psychologisch heel zwaar. Je zou de pijn wel willen overnemen. Sommige ouders kunnen de confrontatie met de pijn van hun kind niet aan. Als hulpverlener is het belangrijk om de ouders in hun beleving te erkennen en te respecteren. Wij hoeden er ons wel voor te zeggen: 'Ach mevrouw, het is toch maar een spuitje'. Alsof je wil zeggen, dat zij zich aanstellen.
Beter gaan wij op zoek naar manieren om het samen draaglijker te maken. Eén manier is de ouder te 'ontslaan' van zijn plicht bij het kind te blijven. Je hoeft er niet persé bij te blijven, ga intussen een koffie drinken. Je bent helemaal geen slechte ouder wanneer je het hele gebeuren niet manhaftig van begin tot eind meemaakt. Kind, noch arts of verpleegkundige zijn gebaat met de 'assistentie' van een jammerende ouder. Kinderen durven de aanwezigheid van mama of papa natuurlijk ook wel af te dwingen. Bij het binnengaan van de behandelingskamer klampen zij zich krijsend vast! Wat het voor de ouders nog veel moeilijker maakt om het kind met zijn angst in de steek te laten. Hier kan afscheid nemen vooraf, op de kamer bijvoorbeeld, een goede oplossing zijn.
Wij werken op de dienst oncologie met pedagogisch medewerkers. Zij zijn cruciaal doorheen de behandeling van de jonge patiëntjes. Voor de paniekerige ouders kan het een hele opluchting betekenen wanneer zij weten dat de vertrouwde pedagogisch medewerker heel de tijd bij het kind zal blijven.
De emoties van de ouders erkennen en respecteren is één zaak. Anderzijds kunnen wij als hulpverlener niet in deze gevoelens blijven hangen. Er moet ook gehandeld worden, hoe hartverscheurend het tafereel van ouder en kind ook is. Maar ervaring leert dat ouders die zich voldoende begrepen voelen, ook best bereid zijn tot constructieve samenwerking".

Kleinzerig ventje

"Het ene kind met pijn is het andere niet. Het ene zal dapper de dokter tegemoet treden terwijl het andere al jammerend tekeer gaat wanneer het de ziekenhuisgeur nog maar opsnuift. 'Ach, 't is zo'n kleinzerig ventje' vergoelijkt mama dan. 'Hij heeft een lage pijndrempel' heet dat in vakjargon. Maar wàt is in hemelsnaam een lage pijndrempel? Hoe hoog of hoe laag ligt die drempel dan? Door het kind een lage pijndrempel toe te schrijven, schuif je de verantwoordelijkheid op hem af. Je laat hem ook een beetje in de steek met zijn pijn(beleving). In de plaats hiervan is het juist de taak van de hulpverleners om voor deze kwetsbare groep iets te doen! Geen enkel kind hoeft meer pijn te hebben dan nodig en het mag zeker niet verantwoordelijk worden gesteld voor zijn pijn. Het is aan ons om er de kinderen die het extra moeilijk hebben met pijn, al op voorhand uit te pikken. Zo kunnen wij de aanpak en de behandeling al meteen aanpassen.
Ook het omgekeerde komt voor. In plaats van hysterisch te gillen, geeft het kind geen kik! Hieruit concluderen dat dit kind geen pijn heeft, is op zijn minst voortvarend. Misschien zwijgt het kind angstvallig over pijn om de dokter te ontlopen? Vaak ook komt zijn gedrag voort uit een soort flinkheidsgedachte. Papa verwacht misschien een dappere zoon? Vandaar dat wij dergelijke kinderen juist aanmoedigen hun pijn te tonen en te uiten. 'Hier hoef je helemaal niet flink te zijn! Roep of huil maar zo hard je kan als het pijn doet!'
Een andere jammerlijke mythe over pijn bij kinderen is dat heel jonge, premature baby's minder pijn zouden voelen dan een volwassene. Vanuit de theorie dat het zenuwstelsel nog niet voldoende is ontwikkeld. Absoluut onjuist, stellen wij hier. Het gevaar is niet denkbeeldig dat chirurgen die deze stelling wel zijn toegedaan, baby's onvoldoende gaan sederen bij een medische ingreep.
Zeer jonge kindjes kunnen behoorlijk veel pijn lijden. Het is niet omdat zij deze pijn niet met woorden kunnen aangeven, dat hij er niet is! Baby's hebben inderdaad nog geen verbale taal, maar de zwaarste trauma's komen net voor bij kinderen die nog geen woorden hebben om erover te praten. Hevige pijn lijden kan erg ingrijpend zijn. Er gebeuren dingen met het kind en het heeft er geen taal voor. Daarom adviseren wij ouders om hun kind te vertellen over wat er gebeurt. Raar misschien? Maar de woorden die het kind niet heeft, kunnen de ouders in zijn plaats aanreiken. Minstens zo belangrijk is nabijheid en lichamelijk contact. Een kindje met pijn put ontzettend veel troost uit zacht en geruststellend wiegen".

Meten is weten

"Hoe kan je eigenlijk weten of een kindje pijn heeft? Hoeveel pijn en waar doet het pijn? Kinderen beneden de zes jaar kunnen wel aangeven of ze héél véél of een ietsepietje pijn hebben en ze tonen waar de boosdoener zich situeert. Maar dat is het dan.
Nochtans is een precieze pijnbeoordeling onontbeerlijk om de pijn zo goed mogelijk aan te pakken! Ervaring leert dat wij toch op een aantal methoden kunnen beroep doen. Natuurlijk zijn er verschillen per leeftijd.
Bij kindjes die nog niet praten is vooral goed kijken en hun gedrag observeren belangrijk. Daarnaast worden ook de fysische parameters zeer goed opgevolgd. Om pijn bij preverbale kinderen op te sporen maken wij gebruik van de Flacc. Dit is een pijnschaal waarbij de observator voor een vijftal items moet scoren: gezicht, benen, activiteit, gehuil en troostbaarheid. Bij baby's vertellen gehuil, gelaatsexpressie en lichaamshouding al heel wat aan een geoefend observator. Is hun gehuil intens en ontroostbaar? Ligt het kindje in een verkrampte houding of met de beentjes opgetrokken? Fronst het voortdurend zijn gezichtje? Fysisch meetbare reacties zijn bloeddruk, hartslag, verwijding van de pupillen enz.
Bij peuters en kleuters kan er gebruik worden gemaakt van een andere pijnschaal: de VAS. Hierbij helpen visuele beelden om de intensiteit van de pijn aan te geven. Kleuters krijgen een aantal gezichtjes te zien die pijn uitdrukken en zij tonen welk gezichtje met hun pijn overeenkomt. Bij kinderen die al tot tien kunnen tellen wordt ook van een soort meetlat gebruik gemaakt. Heb je 'nul' pijn of 'tien'?
Naarmate kinderen ouder worden zijn ze meer en meer in staat hun pijn te beschrijven via vragenlijsten en andere verbale hulpmiddelen. Wij maken ook gebruik van pictogrammen die telkens een woord voorstellen dat de pijn zo dicht mogelijk benadert: een schaartje voor snijdende pijn, een vlammetje voor brandende pijn, pijl en boog voor schietende pijn, een naald voor prikkende pijn".

Kanker: de grote pijndoener

"Misschien denken wij bij diabetes niet meteen aan pijn, maar bij kanker doemt het woord meteen op. Er is de pijn die de ziekte zelf met zich meebrengt. De meest voorkomende kinderkankers veroorzaken vaak pijn in botten en gewrichten. Tumoren kunnen hoofdpijn veroorzaken. Ook de onderzoeken zelf zijn vaak niet van de poes. Beenmergpunctie, lumbaalpunctie … Maar kinderen kunnen ook veel pijn ervaren door de neveneffecten van de chemotherapie of de medicijnen.
Vanzelf is hier pijnmanagement een prioriteit. Naast de medicamenteuze behandeling gaat er ook veel aandacht naar de niet-medicamenteuze. Het kind en zijn gezin staan absoluut centraal. Faciliteiten voor de ouders om zoveel mogelijk bij het kind te kunnen zijn, krijgen voorrang. Ouder èn kind worden bij de behandeling betrokken mèt inspraak en keuzemogelijkheden waar mogelijk. Kinderen hebben recht op een goede voorbereiding: zij moeten weten wat er te gebeuren staat. Om de pijn beheersbaar te houden wenden wij een aantal technieken aan. Een muziekmobiel kan baby's afleiden en oudere kinderen brengen zelf hun lievelingsmuziek mee. De pijn transformeren via een verhaal is dan weer een andere techniek. Zo kan de held uit het verhaal het patiëntje een behoorlijk stevige 'pijnlijke' handdruk geven. Ook hypnose en suggestie worden gehanteerd. Een denkbeeldige hendel die bij al te hevige pijn kan worden overgehaald, kan wonderen doen.
Voor kinderen en jongeren die méér 'down to earth' zijn, blijven er nog altijd een aantal doeltreffende relaxatietechnieken".
Bron: Vlaamse Pijnliga Met dank aan Patricia De Vos (psychologenteam kinderoncologie) en Heidi Vanden Bossche (psycholoog, team kinderen met diabetes)